Voor de verhalenwedstrijd van uitgeverij LetterRijn met het thema “Blind vertrouwen” schreef ik het verhaal Groene vingers. Helaas heeft het de longlist niet gehaald, maar ik laat het jullie graag lezen!

Groene vingers

Rufus zet zijn fiets tegen het hek van de tuin van wooncentrum Zonnenberg. Het blijkt niet stevig en zijn fiets schuift naar beneden. ‘Dan ga er helemaal maar bij liggen.’ Hij schopt het ding onderuit.
In de hal van het hoofdgebouw kijkt hij rond. Zijn moeder van bijna tachtig woont hier nu ruim acht jaar, maar vorige week is ze verhuisd naar een andere woning. Net als gisteren moet hij goed nadenken. Welke kant moet hij op? Hij had er extra op gelet dat hij een lichtbruine deur moest hebben. Was het hier naar rechts? Er zijn vier deuren in totaal. Allemáál lichtbruin. Verdomme.
Bij de meest rechtse deur ziet hij de grote stenen pot met daarin een over de rand hangende vetplant. Die zag hij gisteren ook. Met een ruk trekt hij een sliert groen eraf en laat het op de grond vallen. Lelijk ding.
‘Rufus, goed dat je er bent. Kom je je moeder bezoeken?’
Hij kijkt verschrikt opzij en glimlacht onhandig naar de dame in een wit kostuum. Haar aardige gezicht kijkt vragend. Rufus knikt. Zijn blik schiet snel naar beneden en terug, en met zijn voet probeert hij het stuk plant achter de pot te schuiven. Als ze maar niet ziet wat hij heeft gedaan.
‘Dat zal ze fijn vinden. Vanmiddag had ze een afspraak met iemand. Ik denk een notaris of verzekeringsadviseur, hij had een aktentas bij zich. We wisten er niets van, mijn collega’s ook niet. Ze leek daarna een beetje in de war, misschien dat jij haar er eens naar kunt vragen?’
‘Ja, ja, natuurlijk.’ Rufus wil aanstalten maken om verder te lopen, maar weet nog steeds niet naar welke kant.
‘Je loopt toch niet naar haar oude woning? Nummer zesentwintig moet je hebben, ze heeft de mooiste plek van alle bewoners nu, met een tuin en uitzicht op het water.’ Ze wijst naar een voordeur een eindje verderop in de rechtergang. ‘Ze heeft wel geluk dat die woning is vrijgekomen.’
Rufus kijkt de jonge vrouw na als ze wegloopt en denkt koortsachtig na. Een notaris, dat is toch iemand met een stropdas die op een kantoor werkt? Maar wat doet zo iemand ook alweer? In zijn achtenveertig jaar heeft hij nog nooit iets met een notaris te maken gehad. Zo belangrijk kan die dus niet zijn. Hij zal het dadelijk wel horen.

Bij nummer zesentwintig blijft hij staan en hij zoekt in zijn jaszak naar de sleutel.
‘Rufuuuussss!’ hoort hij vanachter de deur. Shit, het is zeven uur geweest. Zijn moeder haat het als hij te laat is.
‘Ja, moeder, ik kom eraan. De sleutel …’ Hij vindt het kreng eindelijk en morrelt met het slot.
‘Rufuuuussss!’ hoort hij weer, net op het moment dat hij de deur opent.
‘Ik ben er.’ Hij staat in de kamer en kijkt naar de rug van zijn oude moeder, die met haar gezicht naar het raam zit. Hij heeft een gevoel alsof hij rennend hiernaartoe is gekomen. Naast de grote leunstoel staat zijn moeders rollator met een mok erop die nog voor meer dan de helft is gevuld met thee.
‘Er zit een koolmees in de tuin. Heb je vetbollen meegebracht?’
‘Vetbollen? Nee.’ Hij heeft zoals vaak haar vraag niet zien aankomen. ‘Ik zal ze morgen meenemen.’
‘Schrijf je het op?’
Rufus ademt diep in en uit. Al toen hij nog een kleine jongen was, vond zijn moeder dat hij dom was. Ze had er een andere uitdrukking voor, maar die snapte hij niet helemaal. Iets met niet vooraan gestaan met uitdelen of zo. Hij kon zich niet herinneren dat een meester of juf op school iets bijzonders had uitgedeeld waardoor kinderen slimmer werden. ‘Natuurlijk. Ik schrijf het in mijn telefoon.’ Zijn mobiel laat hij in zijn broekzak zitten, die vetbollen is ze morgen weer vergeten. ‘Wie was er op bezoek vanmiddag?’
Nu draait zijn moeder zich om. ‘Hoe weet jij dat? Houden ze me in de gaten?’
‘Natuurlijk niet. Maar de medewerkers hier zien iedereen die binnenkomt op de camera bij de ingang. Dat heeft niets met jou in de gaten houden te maken.’
‘Nee, kind. Dat weet ik. Het was iemand van een verzekeringsmaatschappij. Maar ik ben ze te slim af.’ Ze knikt erbij alsof zojuist een huwelijksgelofte heeft afgelegd.
Rufus pakt een stoel en gaat tegenover haar zitten. ‘O. Oké. Wat kwam hij doen?’
‘Hij had gebeld en wilde een afspraak maken. Hij had een goede polis. Speciaal voor mensen van mijn leeftijd, zei hij.’
‘En wat heeft hij geregeld dan?’
‘Dat weet je toch, Rufus. Ik laat me niet zomaar dingen aanpraten. Ik vertrouw ze voor geen meter, die ratten. Aan mij heeft hij niets verdiend. Denk je aan de vetbollen? Je moet het opschrijven, zodat je het niet vergeet.’ Haar blik dwaalt af naar buiten. Het koolmeesje is verdwenen. ‘Wat vind je van mijn tuin? Goed opgeknapt, vind je ook niet? Ik heb er hard aan gewerkt. We hebben allebei dezelfde groene vingers, jij en ik.’
Rufus fronst zijn wenkbrauwen en vraagt zich af hoe zijn moeder zich zonder rollator staande kan houden en in de tuin kan werken. Hij vraagt niets. Ze geeft hem niet vaak een compliment en het is zonde dit moment te verpesten.
‘Het is wel een klus. Rikie, die hier voor mij woonde, Rikie Visser weet je wel, zij had het laten verslonzen. Ik moest stoppen met werken toen de container met tuinafval vol was, er kon niets meer bij in. Ik heb nog een zak vol naast de container staan. Die neem jij dadelijk mee en gooi je op de composthoop van jouw moestuin. Ja, Rufus? Het zit al in een speciale zak. Biologisch afbreekbaar, weet je wat dat is?’
Rufus knikt.
‘Je moet hem er dicht opgooien. Snap je wel? De stank is niet te houden anders.’
‘Natuurlijk, moeder.’ Hij kan zich niet voorstellen dat het goed is om plastic tussen het groenafval te gooien. Als je dat in de groene afvalcontainer doet, kun je zelfs een boete krijgen. Maar als het biologisch verteerbaar plastic is, of zoiets, dan is het natuurlijk een heel ander verhaal. Als zijn moeder dat zegt, kun je ervan uitgaan dat het ook echt zo is.
‘Goede compost, dat is heel belangrijk. Zeker voor zo’n goed onderhouden moestuin als die van mijn zoon.’ Ze knikt tevreden.
Rufus houdt zijn ogen een paar seconden gesloten. Bij het woord moestuin, verschijnt het beeld van het vernielde hek, de kapotgetrapte planten en het ingeslagen raampje van zijn schuur op zijn netvlies. De woede borrelt opnieuw in hem op en hij voelt kleine zweetdruppels op zijn voorhoofd. ‘Misschien kan ik nu dan beter gaan. Dan breng ik het afval weg. Na zonsondergang is het niet meer toegestaan in de moestuin te komen.’
Zijn moeder kijkt hem aan en knikt. ‘Dat is een goed idee, jongen. Heel goed.’
Rufus staat op en schuift de stoel terug naar waar hij hem heeft gepakt. ‘Tot morgen, moeder. Ik zal denken aan de vetbollen.’
‘Vetbollen? Wat moet ik met vetbollen?’ Zijn moeder mompelt onverstaanbaar verder als hij de deur achter zich sluit.

Rufus parkeert zijn stationcar en loopt de laatste vijftig meter naar zijn moestuin. Een onbestemd gevoel zorgt ervoor dat hij direct naar het terrein loopt, zonder eerst de zak tuinafval uit de kofferbak te halen. Hij blijft staan bij het naastgelegen tuintje van zijn buurman. Vanaf dit punt kan hij, als hij op zijn tenen gaat staan en zich zo lang mogelijk maakt, de deur van zijn schuurtje zien. Het is maar een klein hok, van niet meer het beste hout, maar voor hem is het perfect. Hij bewaart er zijn tuingereedschap, er is stroom en als er nood aan de man is, zou hij er kunnen slapen. Plotseling klinkt er een geluid dat hij niet kan thuisbrengen. Hij houdt zijn adem in en spant zich in om beter te kunnen zien. Het is inmiddels bijna donker en hij is er niet zeker van, maar hij zou zweren dat hij een silhouet bij zijn schuur ziet. Die klootzakken zullen toch niet opnieuw … Het is verdomme zíjn moestuin, hij heeft hier bergen werk in gestoken, waar denken ze het lef vandaan te halen? Hij slaakt een oerkreet terwijl hij zo snel als hij kan naar zijn land rent, wild zwaaiend met zijn armen. Vanuit het schuurtje klinkt lawaai, Rufus probeert de aardbeienplanten te omzeilen maar kan niet voorkomen dat hij er een paar kapottrapt.
‘Wat moet je daar!’ schreeuwt hij meer dan dat hij het vraagt, als hij bijna bij de schuur is. Hij is minder dan een meter bij de deur vandaan als die met een noodgang wordt opengezwaaid en zijn gezicht hard raakt. De klap maakt dat hij zijn evenwicht verliest en op de grond terechtkomt. Rufus grijpt naar zijn gezicht, kermt van de pijn en vloekt tegelijkertijd van boosheid. Dan realiseert hij zich dat hij in actie moet komen, hij staat op en valt bijna opnieuw als hij met zijn ene schoen op de losse veter van de ander trapt. Nu verliest hij ook nog tijd omdat hij eerst zijn veters moet strikken. Hij kijkt in de richting waarin de indringer is weggerend en weet direct dat hij hem niet meer kan inhalen. De silhouet is nog vaag te zien aan het einde van het zandpad.
Hij zakt weer op de grond en zit in de zwarte, bemeste aarde.
Wie doet dit hem dit nou aan? Waarom?
Rufus weet niet hoelang hij op de grond zit, maar hij krijgt het koud. Langzaam staat hij op en met afhangende schouders loopt hij de schuur binnen. Gereedschap ligt op de grond, de twee kasten die hij zelf in elkaar heeft getimmerd staan open, en alle spullen die op de werkbank hadden gelegen, liggen verspreid over de grond alsof een tafelkleed van een gedekte tafel in één ruk van die tafel is getrokken.
Hij zucht diep, raapt een hakbijl van de grond en blijft ermee in zijn handen staan. Dan laat hij hem op dezelfde plek weer vallen en loopt terug naar de auto. De zak tuinafval slaat hij over zijn schouder en voor de derde keer vandaag loopt hij naar het stukje grond waar hij zoveel uren doorbrengt. Hij smijt de lichtgroene zak – hoe had zijn moeder het ook al weer genoemd? Vanzelf oplosbaar of zoiets? – op de composthoop terwijl hij zijn blik gericht houdt op het trieste aanzien van de vernielde schuur.
Hij begint met opruimen.

Rufus belt aan op hetzelfde moment dat hij de sleutel van nummer zesentwintig omdraait.
‘Ik ben er, moeder.’
‘Rufus, jongen, eindelijk. Ik zit hier al dagen alleen, zonder bezoek.’
Rufus overweegt de discussie aan te gaan en te antwoorden dat hij gisterenavond nog is geweest, net als elke avond. Hij doet het niet, zelfs niet als hij lege koffiekopjes op de tafel ziet staan. ‘Heb je een goede dag gehad, moeder?’
‘Ik heb in de tuin gewerkt. Hard gewerkt. Ze had het laten verslonzen, Rikie. Had ik je dat al verteld?’
Rufus knikt.
‘Daarom wilde ze deze woning niet meer. Vanwege de tuin. Dat kunnen wij ons niet voorstellen, toch, jongen?’ Rufus’ moeder kijkt naar de koolmeesjes in haar tuin. ‘Ben je vandaag in de moestuin geweest? Hoe groeien de bieten?’
Hij mompelt wat onverstaanbaars. Hij kan haar niet vertellen over de vernielingen, hij moet koste wat het kost voorkomen dat de woede opnieuw in hem zal oplaaien. Daarom moet dit gesprek zo snel mogelijk een andere kant op.
‘Wat zeg je?’ Rufus’ moeder verheft haar stem.
‘Ik vroeg met wie je koffie hebt gedronken.’ Hij slaat zijn ogen neer en heeft het warm. Zijn haren plakken in zijn gezicht, maar hij kan ze niet wegvegen. Zijn moeder mag de wond op zijn voorhoofd niet zien. ‘Er staan koffiekopjes op tafel.’
‘Het was die verzekeringsman weer.’ Ze klinkt knorrig. ‘Ik heb hem afgewimpeld.’
Voorzichtig veegt hij een zweetdruppel van zijn voorhoofd. Misschien moet hij camera’s ophangen in zijn schuur. ‘Wat wilde hij?’ vraagt hij afwezig.
‘Hij vroeg van alles. Hij dacht zeker dat ik erin zou trappen, in die praatjes. Zie ik er zo achterlijk uit, Rufus? Zo goed van vertrouwen, zo naïef?’
‘Nee.’
‘Wat nee, Rufus?’
‘Nee, moeder. Je ziet er niet zo uit.’ Hij fronst zijn voorhoofd. Waarom gebruikt ze toch altijd die moeilijke woorden? ‘Er is hier helemaal niets naïefs te zien.’
Een kwartier later staat Rufus op. Hij is er klaar mee, er wacht hem nog veel werk in de moestuin en de verhalen van zijn moeder interesseren hem niet. Bovendien zal ze alles morgen of overmorgen wel herhalen.
‘Rufus? Er ligt een zak tuinafval naast de container. Gooi die op de composthoop. Maak hem niet open, dat stinkt, de zak is biologisch afbreekbaar.’

Rufus parkeert zijn auto op zijn vaste plek. Met het tuinafval van zijn moeder over zijn schouder loopt hij naar zijn domein.
Ongemerkt vertraagt hij zijn tempo naarmate hij dichterbij komt. Hij houdt zijn adem in en scant de omgeving, maar kan niets vreemds ontdekken. De vandalen hebben vast hun interesse verloren. Het kan niet anders dan dat hij het slachtoffer is geworden van dronken jeugd, die toevallig zijn perceel heeft uitgekozen. Maar toch … hij heeft geen medelijden met dronken jongelui. Als hij ze in zijn handen krijgt, krijgen ze een pineut, of nee, worden ze een pineut.
Zaterdag zal hij de schuur repareren besluit hij. Als hij in de ochtend begint, moet hij de klus in één dag kunnen klaren. Hij loopt naar de composthoop, opgelucht dat hij geen nieuwe verrassingen heeft aangetroffen. De zak is minder zwaar dan die van gisteren en hij tilt hem zonder problemen met één hand op. Dan voelt hij een hard voorwerp in zijn rug.
‘Jij …’ De stem achter hem stopt al na één woord.
Zijn adem stokt. Kippenvel, van zijn kruin tot zijn tenen. Hij probeert te slikken, maar zijn keel is te droog. Zijn de jongelui terug?
‘Nu durf je niet meer, hè? Lafaard. Draai om dan!’
De punt van het voorwerp duwt harder in zijn rug. Langzaam draait hij om tot hij kan zien dat het zijn eigen hakbijl is waarmee hij wordt bedreigd. Geen kwajongen, maar een volwassen man kijkt hem woest aan.
‘Klootzak.’ De man sist.
Rufus zet voorzichtig een stap naar achteren.
‘Staan blijven!’ Nu schreeuwt hij. ‘Dacht je dat je ermee wegkwam? Dat niemand je door zou hebben en je ongemerkt je gang kon gaan?’
Rufus merkt dat hij trilt. Waar heeft die man het over? Hij moet toch zeker de verkeerde persoon voor zich hebben? Hij heeft toch niets gedaan? Opnieuw stapt hij een klein stukje naar achteren, op de zak tuinafval die daar ligt en bijna verliest hij zijn evenwicht.
De man briest. ‘Maak open!’
Rufus snapt er niets van. Zijn hart gaat als een razende tekeer en het voelt alsof hij niet meer normaal kan ademhalen. Waarom wil die man de zak tuinafval van zijn moeder openmaken?
‘Maak open, verdomme!’
‘Nee, nee, dat kan niet,’ stamelt Rufus. ‘Dat stinkt heel erg.’ Het lijkt of hij olie op een vuur gooit.
De vuist in zijn gezicht komt snoeihard aan. Hij grijpt naar zijn neus, nadat er een krakend geluid vandaan is gekomen. Een warme vloeibare substantie druipt over zijn gezicht.
‘Maak. Open.’ De hand om zijn keel is minstens zo bedreigend als de hakbijl in de andere hand van zijn vijand.
‘Maar mijn moeder zegt … Zij heeft er echt verstand van. Die zak is natuurlijk verteerbaar. Echt, het is voor de compost beter … Als zij dat zegt, dan is het …’
Opnieuw die vuist. Rufus valt op de grond en binnen twee seconden zit de man boven op hem en met de hakbijl dreigend boven zijn gezicht kan hij geen kant op. Het gewicht drukt op zijn ribbenkast en ademen wordt een immense opgave.
‘Je hebt haar vermoord. Je hebt mijn moeder vermoord en denkt dat weg te kunnen moffelen in die achterlijke moestuin van je.’
Rufus kijkt in de bloeddoorlopen ogen van het gezicht boven hem en begrijpt er niets van. Hij kan helemaal niet meer nadenken. Waar heeft die man het over? Zijn moeder zegt dat hij traag van begrip is, maar hij doet echt zijn best om te bedenken wat deze man bedoelt.
‘Is je moeder blij nu? Is ze tevreden?’
Hij heeft toch al gezegd dat zijn moeder erop heeft aangedrongen dat de zak dicht moet blijven. Waarom denkt die man dan dat zijn moeder tevreden is als hij hem toch zou openmaken?
‘Aaaahhhh!’ Hij kermt als de houten steel van de bijl zijn hoofd raakt.
De man zwaait met de bijl door de lucht en steekt met één beweging het lemmet in de biologisch afbreekbare zak, die naast Rufus’ hoofd ligt. Het gezicht van de man verstrakt en Rufus ziet zijn ogen nog groter worden.
Langzaam draait Rufus zijn hoofd opzij.
Uit de zak steken groene vingers.
Rufus mond zakt open en als hij zijn hoofd een heel kleine stukje terugdraait, ziet hij de bijl recht op hem af komen.

Rufus’ moeder drinkt van haar thee en kijkt tevreden naar de koolmeesjes in haar tuin. Ze heeft vetbollen opgehangen en de vogeltjes zijn er blij mee.
Het is goed dat zij nu deze woning bewoont. De bescheiden tuin verdient een bewoner die er verstand van heeft. Iemand zoals zij. Dat ze Rikie daarom haar leven heeft moeten afnemen, is jammer, maar het is niet anders.
Ze had geoefend op haar verhaal en was ervan overtuigd dat ze geloofwaardig klonk toen ze het verbaasde personeel vertelde dat Rikie toch allang had aangekondigd dat ze zou gaan verhuizen. De brief die ze uit naam van Rikie’s zoon had gestuurd, was ook niet slecht, vond ze zelf. Rikie had nooit verteld dat haar zoon een verzekeringsman was trouwens. Het enige waarmee ze geen rekening had gehouden, was dat Rikie’s zoon opeens terugkwam uit het buitenland om zijn moeder te zoeken, toen hij geen contact meer met haar kreeg. Wist zij veel dat Rikie en haar zoon elkaar dagelijks belden. Ze dacht dat zij de enige moeder was die haar zoon dagelijks contact had opgedragen.
Rufus.
Een traan rolt over haar gerimpelde gezicht. Arme Rufus. Haar zoon. Ze wist dat hij haar zou helpen haar rotzooi op te ruimen, zonder dat ze hem iets hoefde uit te leggen. Het was triest dat het op het allerlaatste moment was mislukt. Dit had ze natuurlijk nooit zo bedoeld.
Opeens schiet haar een idee te binnen en een voorzichtige glimlach breekt door op haar gezicht. Dat gaat ze doen. Op haar netvlies verschijnt een vrolijk beeld van een bloeiende moestuin, vol met aardbeien, sla en de mooiste andere groentes. Morgen gaat ze de gemeente bellen om aan te geven dat zij interesse heeft in het perceel van Rufus. Zij zal Rufus’ werk voortzetten. Ze is er de aangewezen persoon voor, met haar groene vingers, en ze weet precies hoe ze dat gaat doen.
Ze heeft voldoende voorraad compost.

 

 

 

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *