Voor de schrijfwedstrijd Beste broers, schreef ik het verhaal Geen weg terug. Je leest het hier!

Geen weg terug

Als ze geen zussen waren geweest, was het allemaal heel anders gelopen. Ze weet het zeker. Nu is er geen weg meer terug. Zowel letterlijk als figuurlijk. Ze wil afkeurend haar hoofd schudden om haar eigen woordkeus, maar stopt daar direct mee.
Het gaat niet meer.
Al vanaf het eerste moment dat ze zich kan herinneren, was de rangorde duidelijk. Eerst haar zus, dan zij. Moeder had het als een vanzelfsprekendheid uitgedragen, waarmee het voor hen niet anders dan logisch was. Ze werden gevoed, eerst haar zus, dan zij. Ze leerden lopen, eerst haar zus, dan zij. Ze leerden zwemmen, eerst haar zus, dan zij. De voorbeelden zijn legio.
Meerdere malen heeft ze het geprobeerd, ze vroeg het haar moeder en ze vroeg het haar zus. Mocht zij niet een keer eerst? Wilde haar zus haar niet een keer voor laten gaan? Was ze niet benieuwd naar welke route zij zou kiezen? Eén keertje maar.
Het mocht niet.
Nu ligt ze hier.
Het zou niet lang meer duren voor ze op eigen benen zou staan, het ouderlijk nest zou verlaten. Ze was bijna volwassen en haar moeders regime zou niet langer bepalen welke weg in het leven zij zou kiezen. Naar die heuglijke dag keek ze uit. Tot enkele minuten geleden.
Deze ochtend begon zoals elke andere. ‘Het is een mooie dag,’ zei moeder. Haar zus en zij keken omhoog en zagen blauwe lucht. Er was geen wolkje te bekennen.
Moeder had gelijk. Uiteraard.
Ze aten gezamenlijk en praatten, het gaf haar bijna een gevoel van gelijkwaardigheid. Tot moeder riep dat het tijd was te vertrekken. Ze volgde haar zus tot een meter of drie hiervandaan. Bij de eerste stap op het asfalt voelde ze de zon. De stralen op haar hoofd en lichaam verwarmden haar en ze zou willen stilstaan om er extra van te genieten. Maar haar zus liep door. Ze volgde.
Drie passen later hoorde ze het. Een aanzwellend geluid kwam dichterbij en ze voelde trillingen in het asfalt. Ze overwoog opzij te kijken maar de angst hield elke beweging tegen. Nog een stap. Haar benen voelden zwaar en het was bijna onmogelijk ze nog te verplaatsen. Ze wist nu wat de uitdrukking verlamd van angst inhield. Draaien moest haar hoofd, ze moest weten of ze het gevaar kon ontwijken.
De secondes waarin ze haar hoofd ver genoeg opzij draaide, leken een eeuwigheid te duren. Ze keek recht in twee grote felle koplampen, die in een moordend tempo op haar afkwamen. Als ze zou rennen, was ze misschien…
Toen kwam de klap.
De pijn ontneemt haar de adem en ze voelt de kracht uit haar lichaam vloeien. Het is afgelopen. Haar te korte leven eindigt hier. Terwijl haar moeder en zus de waterkant bereiken, ligt zij op het asfalt van de doorgaande weg, wachtend op de dood en op de voorbijganger die haar in de berm zal leggen. De woorden bij haar afscheid zullen beperkt zijn.
‘Ach, wat zielig, een platgereden eendenkuiken.’

0 reacties